• Frankenstraat 55
  • Frankenstraat 55

Frankenstraat 55

HIER WOONDE
JOSEPH SANDERS
GEB. 1889
VERMOORD 30.9.1942
AUSCHWITZ
 
HIER WOONDE
SELMA  SANDERS - LEERAAR
GEB. 1902
VERMOORD 19.11.1943
AUSCHWITZ

Joseph Sanders (Rotterdam, 5/8/1889 – Auschwitz 30/9/1942)
Na een kortstondig huwelijk (1919 1920) met Eva Polak uit Rotterdam, trouwt Joseph Sanders in 1926 met de Maastrichtse Selma Leraar (1902-1943), eerder gescheiden van Isodeer Dreesde. Het paar woont aanvankelijk in Rotterdam, maar vestigt zich eind 1932 in de Limburgse hoofdstad. Daar neemt Sanders in het daaropvolgende jaar Grand Hotel Wilhelmina aan de Wilhelminasingel over, het enige hotel in Limburg dat zich aan de joodse religieuze regels (onder meer op het gebied van koosjere voeding) houdt. De opperrabbijn zelf houdt toezicht. Op 3 mei 1942 constateren de autoriteiten dat in het Stadspark in de nachtelijke uren twaalf bordjes met de tekst ‘Verboden voor joden’ zijn verdwenen. Omdat ingesteld onderzoek geen verdachten oplevert, worden twaalf onschuldige, joodse mannen aangehouden en gearresteerd. Sanders hoort daarbij. Zeven dagen na zijn arrestatie gaat hij op transport naar Westerbork. Van daaruit gaat hij anderhalve maand later op de trein naar Polen. In Auschwitz wordt hij twee maanden na zijn aankomst vermoord.
 
 
Selma Sanders-Leeraar (Maastricht, 10/3/1902 – Auschwitz 19/11/1943)
Selma Leraar, dochter van een fabrieksopzichter, is ‘winkeljuffrouw’ als ze in 1921 trouwt met Isidoor Dreesde. Dat huwelijk duurt een kleine drie jaar. Twee jaar later huwt ze haar tweede echtgenoot Joseph Sanders. Na hun Rotterdamse jaren keren ze terug in Maastricht. Ze wordt daar medeverantwoordelijk voor het draaiende houden van Grand Hotel Wilhelmina. Haar man wordt in het voorjaar van 1942 opgepakt. Zelf ontkomt ze nog aan de Duitse vernietigingsmachine, doordat ze in het pand aan de Frankenstraat 55 joden verzorgt die te oud of te ziek zijn om op transport te worden gesteld. In november 1943 worden zij en haar zoon Jacob uit haar eerste huwelijk, toch via Westerbork naar Auschwitz gebracht. Uit de trein weet ze nog een kaartje te gooien. “Tot op heden weten we niets. Kop op en vooruit!”, luiden de laatste regels. Bij aankomst in het Poolse vernietigingskamp wordt ze vergast. Haar zoon Jacob wordt nog tot zijn dood op 31 maart 1944 in Polen door de Duitsers gebruikt als dwangarbeider. Ook hij schrijft in november 1943, op weg naar zijn noodlot, nog een kaartje. “Wij komen terug, hoor!”, schrijft hij.